NL | EN

Over Rob Walrecht

Het leven van een autodidacte sterrenkundedocent


Rob Walrecht Productions
Niemand kan een internationaal opererende uitgeverij in zijn eentje runnen. Ofschoon RWP bestaat dankzij de ontwerpen en het werk van Rob Walrecht, wordt hij grondig ondersteund door zijn vrouw Marja en indien nodig zijn volwassen zoons Lars  en Sven, die vroeger ook duizenden planisferen hebben gemonteerd (de beide delen samengevoegd met een holniet). Hun vriendin Anneke doet nu de montage van de planisferen.

(Links: Marja en Rob in juli 2007)


Sterrenkundepromotor
Voor Rob Walrecht is het uitdragen van kennis zijn lust en zijn leven, hetgeen duidelijk blijkt uit zijn levensloop. Vanaf zijn achtste wil hij onderwijzer worden. Zijn educatieve, informatieve en creatieve capaciteiten komen al jong aan het licht.
Met welke titel kun je zijn werk omschrijven? De meeste collega's (voor een ZZP-er zijn dat mensen die soortgelijk werk doen) hebben het wat dat betreft gemakkelijker: ze zijn astronoom, wetenschapsjournalist (zoals Govert Schilling), astrocartograaf (zoals Wil Tirion), uitgever, schrijver, vormgever of spreker. Maar Rob is dat allemaal in één! Hoe omschrijf je hem?
Enkele jaren geleden legde hij zich maar neer bij de 'sterrenkundepromotor', maar erg fraai Nederlands is dat niet. Misschien is (autodidact) sterrenkundedocent beter, want al het andere werk kan daaraan ondergeschikt zijn. Wie iets beters weet moet dat vooral doorgeven!
Een groot deel van zijn leven is Rob chronisch ziek. Zie daarvoor deze pagina.

Nu verder Rob zelf aan het woord.
 
Wie is Rob Walrecht?
Ik ben geboren op 16 juni 1959, in Den Helder. Ik ben zeer gelukkig getrouwd met Marja en ben stiefvader van haar twee volwassen zoons, en opa van twee heerlijke kleinzoontjes.
Ik heb drie oudere broers en een jongere zus. Mijn ouders brachten ons de liefde voor de natuur bij en gaven ons een grote creativiteit mee, op diverse gebieden.
In 1976 volgde ik mijn broers Aad en Hans, die lid waren geworden van de Helderse (toen nog) NVWS-afdeling, Zenit. We ontwikkelden ons tot een sterk team van drie individualisten, een team dat veel zeer succesvolle exposities en andere bijzondere evenementen organiseerde. Verder zette ik de bibliotheek op, en een ‘bookshop’ om dat te bekostigen. In die tijd waren dia’s over het zonnestelsel en ruimtevaart erg populair, maar die moesten uit de VS komen. Wij besloten ze zelf te gaan samenstellen en uitgeven, met uitgebreide begeleidende teksten. Dat leidde tot de Stichting Cosmogram die ruim negentig diaseries uitbracht. De series waren populair in Nederland en omstreken. In totaal produceerde mijn broer Hans zo circa 300.000 dia’s.
Ik laat mijn actieve ‘carrière’ als sterrenkunde popularisator zelf beginnen in 1978, toen ik samen met Aad een schaalmodel maakte van het zonnestelsel, met een lengte van 590 meter (de gemiddelde afstand Zon-Pluto; pas veel later bedacht ik me dat het veel handiger was de huidige afstand (toen 450 m) te gebruiken. In dat schaalmodel (schaal 1:10 miljard) is de zon zo groot als een plafonniere van 14 cm, Jupiter een knikker, de aarde de kop van een kopspeldje en Neptunus een erwt. Neptunus staat op 450 meter van de ‘zon’, maar wij hadden Pluto in het model op zijn gemiddelde afstand staan, op 590 meter.
Een schaalmodel maken is een ding, maar wat doe je ermee? Ik besloot dat ik een brochure moest maken met informatie over het zonnestelsel, en dat ik presentaties moest gaan geven aan het publiek!
Rond 1980 ging ik ook gastlessen geven op basisscholen, onder andere met een tienmaal kleiner schaalmodel van het zonnestelsel (dus 1:10 miljard). Vele honderden gastlessen volgden.
Op deze manier ontwikkelde ik de vaardigheden waarmee ik nu mijn brood verdien: schrijven, illustreren en lay-out werk, en presenteren. De schaalmodellen waren de eerste van een indrukwekkende collectie, waaronder nog een derde 3D schaalmodel van het zonnestelsel (1:475 miljoen). Deze maakte ik voor mijn publiekssymposium Space 1990, ter ere van het 15-jarig bestaan van de Helderse club. De modellen en allerlei andere hulpmiddelen vormen een bijzonder onderdeel van mijn lezingen en cursussen.



 













Links: Aad en ik bij het schaalmodel van het zonnestelsel dat wij in 1978 maakte. De schaal is 1:10 miljard, wat
betekent dat de afstand tot Neptunus 450 m is, die tot Pluto gemiddeld 590 m. Het Liniepad in Den Helder, dat onderdeel
is van het oude verdedigingsstelsel van de stad, is 550 m lang. We moesten dus smokkelen, maar dat had niemand in
de gaten. Pas heel veel later bedacht ik me dat de 'huidige' afstand handiger is: in 1978 stond Pluto dichter bij de zon
dan Neptunus! Let op de 'zon', een plafonniere mét geel lampje.
Rechts: het schaalmodel had binnenverlichting want het was de opzet om het in het donker te gebruiken, op onze
kijkavonden. In het Churchillpark, vlakbij het Liniepad, plaatsten we altijd een bungalowtent voor wat andere voor-
lichtingsattrubuten én om erwtensoep op te warmen.

 
Professioneel
In 1982 gebruikte ik onze diaseries om in gesprek te komen met de oprichter en directeur Hans Nieuwland van het nieuwe Zeiss Planetarium Amsterdam. Of hij geïnteresseerd was in de verkoop ervan. Uiteraard wilde ik er vooral komen werken en in februari van dat jaar ging ik aan de slag. Het programmateam bestond uit Govert Schilling, astronoom Kik Velt, vraagbaak Cor Booy en mijzelf. Het planetarium stond op het terrein van de Floriade, in de Gaasperplas, in de verwachting dat zo’n 300.000 Floriade-bezoekers ook het planetarium zouden bezoeken.
Niemand had planetariumervaring en het internet bestond nog niet. Wij moesten dus alles zelf uitvinden. Niet gebonden aan planetariumregels gingen wij geheel onze eigen gang. Het resultaat was een aantal spectaculaire en zeer leerzame planetariumshows die misschien niet perfect geproduceerd waren maar wel ons ongebreidelde enthousiasme overbrachten.
Een van mijn taken daar was het runnen van de winkel. Al snel ontstond het idee om een eigen Zeiss Planetarium planisfeer te gaan maken en uitgeven. Die zomer van 1982 zat ik, tussen het geven van vele planetariumvoorstellingen door, vaak in de projectieruimte van het auditorium, bovenin, onder een dak van stalen golfplaten. Het was een zeer warme zomer… Een transistorradiootje stond afgesteld op de BBC World Service, die het laatste nieuws liet horen over de Falklandoorlog... We hadden gekozen voor een ontwerp voor 52°NB en 5°OL (Utrecht), en voor mijn standaard Nederlandse planisfeer (code PLN-NL) is dat altijd zo gebleven.
In die tijd maakte je zo’n product met tekenpen en (dikke stapels velletjes) wrijfletters, op kalkpapier. Enkele keren beschadigde ik het ontwerp door met een bezwete arm teksten en inkt weg te vegen. Het ontwerp kwam echter af en in het najaar van 1982 kwam de geheel kunststoffen planisfeer uit.


 
Links: het oude Zeiss Planetarium, in de Gaasperplas. Ik heb er heel mooie herinneringen aan.
Rechts: de oude Zeiss VI projector bestaat nog en staat nu in Artis Planetarium. Hij is echter operationeel gezien vervangen
door een modern digitaal projectiesysteem, zoals bioscopen hebben, maar dan met twee projectoren. Toch... is de sterren-
hemel van de oude Zeiss nog steeds mooier!
Rechts: na een avond klussen in de planetariumkoepel word je wel eens melig... In het donker kun je dan een tijdopname
maken waarin je jezelf tig maal 'inflitst'. Voor een enkeling (hoop ik) moet het een nachtmerrie zijn om zoveel Robs te zien...


















Links: ter afsluiting van de sterrekundecursus van 'mijn' sterrenkundeclub Zenit (afdeling Den Helder van de toenmalige NVWS) gaf ik
begin 1983 een voorstelling in het Zeiss Planetarium, met een showprogramma (ik denk over het zonnestelsel) en iets dat ik uit mijn
mouw schudde. De voorstelling duurde 2,5 uur! Ik sta rechts, achter de tonvormige projector (ik denk de meteorenprojector). Op 'mijn'
stoel zit mijn zus Anita, toen nog 15. Aan het eind van de lange voorstelling had zich een rij lege bierflesjes gevormd tegen de kasten
waar je hier tegenaan kijkt, naast de stoel dus. Ik heb nog steeds geen idee waar die vandaan kwam.
Rechts: het planetarium werd (volgens mij) in april 1982 geopend door Prinses Juliana en Prins Bernhard. Als 'hoffotograaf' van het
planetarium kon ik deze foto maken. Ik sprak ook nog even met de Prins, terwijl hij de meteorietenafdeling op de eerste verdieping
bewonderde. Ik kwam hem daar toevallig tegen, mogelijk omdat ik foto's wilde maken van het feest beneden. Behoorlijk verrast zei ik:
"Steentjes, he?". Waarop hij de historische, voor hem typerende uitspraak deed: "Nou!".


Apollo Reizend Planetarium
Het ging niet goed met het Zeiss Planetarium Amsterdam. Door de mooie zomer bleef het publiek buiten, in het Floriade-park… In 1983 moest een aantal medewerkers gaan, waaronder ik. Het was een grote slag maar met een vriend en planetarium collega (Ruud Schornagel) was ik al snel bezig met – totaal onrealistische – plannen voor een nieuw groot planetarium in Nederland.
In Amerikaanse sterrenkundebladen stonden echter advertenties over kleine, mobiele planetaria, met een opblaasbare koepel en een projector die in een grote koffer paste. Zo kon je het met een personenauto vervoeren. Ik bedacht me dat we daarmee sterrenkundelessen konden geven op scholen in heel Nederland en Vlaanderen. Voor scholen zou dat enorm schelen in (reis)tijd en geld, want ons planetarium kwam naar hen toe, en de lessen konden worden ingepast in hun lesschema!
Zo kwam het dat ik op 15 juni 1985 nog een bedrijf begon: het Apollo Reizend Planetarium. Ik heb jaren gedacht dat dit het eerste reizende planetarium ter wereld was, maar heb begrepen dat er misschien een of twee Amerikanen zijn geweest die in die tijd hetzelfde idee hadden.
Met dat planetarium wilden Ruud en ik ons brood verdienen, de uitgeverij was ‘voor erbij’. Helaas hadden we de tijd tegen: eindeloze bezuinigingen in het onderwijs. Toch hadden we, na de officiële ‘opening’ op 6 februari 1986, een uitstekende start: maandenlang waren we bijna dagelijks geboekt. Dat kwam door de media en vooral de kranten, waarmee ik al jaren zeer goed contact had. De bekendheid die dat opleverde duurde echter niet lang. Na de zomervakantie leken wij vergeten en kregen we de rest van 1986 nog slechts vier opdrachten. We probeerden een jaar lang alles om dat probleem op te lossen, maar mijn goede band met de media had een keerzijde: wij hadden daardoor verzuimd om extra geld te lenen voor promotiedoeleinden. En de nieuwe bankmanager stond niet zo welwillend tegenover ons bijzondere project als zijn voorganger. In tegendeel: hij maakte het voor ons onmogelijk om het bedrijf goed voort te zetten. Eind 1987 besloten wij dat Ruud alleen verder zou gaan, in de hoop dat het planetarium tenminste één salaris kon opleveren. Ik werd programmeur/systeemanalist op een IBM S/38 - dus IT-er.
Nog éénmaal heb ik het plan opgevat om een nieuw Reizend Planetarium op te zetten, rond 1998. Vanwege gezondheidsproblemen (zie verder) zag ik daar uiteindelijk vanaf. Ik was het idee echter niet vergeten. Ik begon een soort lobby: elke keer als een astronoom in de media riep dat er meer moest gebeuren aan sterrenkunde op onze scholen, stuurde ik hem een brief of e-mail waarin ik het belang van een mobiel planetarium benadrukte. Dat is echt de beste manier om sterrenkunde uit te leggen én jongeren te inspireren! Na jaren waren er daardoor enkele jaren geleden opeens twee nieuwe mobiele planetaria, en momenteel zijn het er al vier of vijf.


















Hierboven: de promotiefoto's die ik maakte voor ons Apollo Reizend Planetarium, met mijn toenmalige collega en vriend Ruud Schornagel.


 











Links: het Apollo Reizend Planetarium werd officieel gepresenteerd in het toenmalige Onderwijsmuseum, in Den Haag (nu Museon). We hadden Piet Smolders uitgenodigd om ons in te leiden bij de media, die ruim aanwezig waren (o.a. het Jeugdjournaal). Hij kan prima met kinderen om gaan wat erg belangrijk was omdat we enkele schoolklassen hadden uitgenodigd bij de presentatie.
Midden: ik deed mijn eigen (uiteraard wat te lange...) speech van een briefje, met vier korte puntjes.
Rechts: ik heb er duidelijk zin in!














Hierboven: in de zomervakantieperioden van 1986 en 1987 stonden we met het planetarium in het Recreatiepark Het Rosarium, in Doorn. Voor dat doel was een grote tent neergezet, op een houten vlonder, omdat het planetariummet zijn kwetsbare apparatuur natuurlijk schoon en droog moest staan. Maanden elke dag naar Doorn, alle spullen op zo'n trapkar geladen, naar onze locatie achterin het park en... meestal niets. In 1986 was het te heet en ging men naar zee of zo; in 1987 was het een van de natste zomers. Soms dacht je: 'Harder dan dit kan het niet regenen...'. En dan ging het twee keer zo hard regenen! Tot oermaat van ramp was van mijn partner Ruud de startersuitkering stopgezet en was ik er steeds alleen. Erg koud...


De Planisfeer
In 1984 ging ik aan het werk om mijn eigen planisfeer te ontwerpen. Het was een verbeterde versie van de eerste met de opgedane ervaring en kennis en nieuwe ideeën. Ik gebruikte dezelfde computeruitdraai met de posities van 700 sterren, waarmee ik de planisfeer van het Zeiss Planetarium had gemaakt. Die lijst bevatte echter enkele sterren waarvan de aangegeven posities fout waren. Er was overigens slechts één man die dat opmerkte: Wil Tirion. (Bij een geval van plagiaat, door het Planetarium van Praag, hadden die drie sterren ook de foute positie!)
De planisfeer kreeg een aantal nieuwe ‘features’ waarvan sommige tijdens het ontwerpen ontstonden. Zo voegde ik de hulpmiddelen toe om op een nauwkeurige manier de hemelcoördinaten (positie) van sterren en andere objecten te bepalen. De hemelmeridiaan op de bovenschijf werden verdeeld in graden declinatie (de noord-zuid lopende ‘declinatielijn’) en aan de buitenkant kwam een ring met de astronomische uren (rechte klimming). Met deze twee kun je de positie van een ster in de kaart bepalen, maar veel nuttiger is het dat je, als je de coördinaten weet, een lichtzwakke planeet, planetoïde of komeet in de kaart en dus aan de hemel kunt  lokaliseren.
Verder gebruikte ik de ecliptica op een geheel nieuwe manier. In de eerste planisfeer was het gewoon een stippellijn. In het nieuwe ontwerp kreeg elk stipje een betekenis: de positie van de zon op elk dag! Elke eerste, elfde en eenentwintigste van de maand kreeg een streepje in plaats van een stipje, en elke eerste van de maand kreeg het maandnummer (bijv. ‘3’ voor 1 maart). Daarmee kun je iets leuks doen: als je het stipje van 1 maart precies op de ‘horizon’ lijn van de planisfeer zet kun je aflezen hoe laat de zon opkomt (oostelijke horizon) of ondergaat.
Zo had het nieuwe ontwerp unieke eigenschappen, waarvan sommige later door grote concurrenten werden gekopieerd.
De nieuwe planisfeer bevatte ook een groter aantal nevels, sterrenstelsels, dubbelsterren en andere objecten die je met het blote oog of in elk geval met een verrekijker kunt zien. Het gaat om circa 300 van die verrekijkerobjecten, die het sterrenkijken nog interessanter maken.
Op 15 juni startte ik mijn bedrijf, op dezelfde dag dus dat we het Apollo Reizend Planetarium inschreven. Uiteraard had ik geen geld, dus mijn oma financierde het. Elke planisfeer die wij zelf uitgeven bevat nog een aan haar gericht gecodeerd dankjewel.
Van mijn eerste (kunststoffen) planisfeer werden er circa 3000 geproduceerd, waarvan duizend voor het Omniversum in Den Haag (met logo): mijn eerste maatwerkplanisfeer. Deze tweede druk was slecht gecentreerd (de beide delen pasten niet goed op elkaar) en bij veel exemplaren moest de holniet worden uitgeboord om vervolgens een nieuw, groter gat te boren voor een nieuwe holniet. Ondanks alles heb ik er mooie, warme herinneringen aan omdat ik dit werk samen met mijn vader deed.  
 
Second life
Druk bezig met mijn nieuwe werk liep de verkoop van planisferen drastisch terug en er was geen reden – noch geld – voor een herdruk. De planisfeer leek een langzame dood te sterven, door gebrek aan geld en omdat ik enige tijd niet erg actief was op het gebied van sterrenkunde educatie.
In deze tijd kwam ik een erg leuke vrouw tegen, met twee kinderen uit haar eerste huwelijk. In 1993 wilden Marja en ik gaan trouwen, maar wij hadden geen geld voor een bruiloft.
De ondernemer in mij werd weer wakker maar een geheel kunststoffen planisfeer zou nu veel te duur worden. Ik besloot de planisfeer in een geheel nieuw jasje te steken en opnieuw uit te brengen. Zo ontstond de vierkante kartonnen uitvoering met vier pagina’s, waarvan twee met een beknopte inleiding in de sterrenkunde. De bovenschijf bleef wel van pvc. Door een lening van een collega kon ik er 3000 laten produceren (de laatste lening voor planisferen, daarna gebruikte ik de winst van maatwerkorders altijd voor nieuwe planisferen). Een actieve, zeer succesvolle perscampagne leidde tot veel leuke artikelen in de kranten en andere bladen. De lening kon dan ook snel worden afbetaald! En in september van dat jaar hadden we onze bruiloft. Van die versie zijn er inmiddels ca. 100.000 geproduceerd.
Omniversum bestelde er in die tijd ook duizend en enkele maanden later bestelde Artis Planetarium 3000 exemplaren van hun versie.
 
Andere planisferen
Na dit succes ging ik nadenken over andere uitvoeringen. Met het ‘moederontwerp’ kon ik planisferen maken tot 30°NB, zuidelijker ging het niet. De bovenschijven en achterkanten kon ik naar behoeve ontwerpen en bij versies in andere talen ging het altijd om één druklaag van de sterrenkaart (zwart).
Een en ander ging niet zo gemakkelijk als nu met de Illustrator. Als ik een sterrenkaart voor 40°NB nodig had, moest ik een lithograaf een zwartwit print laten maken op de juiste grootte. En die heel nauwkeurig inplakken (met een prittstift!) binnen een print van de buitenste ringen met datums, maanden en astronomische uren. Hetzelfde gebeurde met de bovenschijven, waarbij de urenring hetzelfde was omdat ze waren ontworpen voor het centrum van elke tijdzone (behalve bij die van de vierkante PLN-NL). Daarbinnen kwam dan het ontwerp van de horizon, hemelmeridiaan en andere lijnen, en de titel en dergelijke. Ik maakte mijn ontwerpen op 200%, voor een grotere nauwkeurigheid. 
Zo zagen, in augustus 1995, de eerste drie Engelse Planispheres het levenslicht, voor 30, 40 en 50°NB. In januari van dat jaar was mijn vader overleden en ik had hem nog de eerste ontwerpen kunnen laten zien, inclusief mijn opdracht aan hem, die op alle volgende planisferen kwam te staan, in de betreffende taal. In de Engelse planisferen hebben de sterrenbeelden hun Latijnse naam, in alle andere de populaire namen.
Een jaar later volgde een Engelse planisfeer voor 60°NB en mijn Nederlandse Vakantieplanisferen: voor Zuid-, Midden- en Noord-Europa (40, 50 en 60°NB). Het idee achter hun titel ligt voor de hand. Veel mensen zien de sterrenhemel pas als ze op vakantie zijn, in een gebied met een schone lucht en weinig strooilicht, en met eindelijk de rust om eens naar boven te kijken. Ze waren meteen een succes.
In 1997 kon ik vertalingen laten maken voor de achterkanten van een Franse planispheres en een Duitse Planisphäre, door twee mensen van ESTEC die Heidi Graf voor mij had geregeld. Ik had ook zo mijn eigen manier om mensen zoals zij een vergoeding te geven: en doos van 50 stuks van de betreffende planisfeer! Je moet wat als ZZP-er! De Engelse teksten maakte ik zelf, maar ik liet de basistekst voor de achterzijden wel lezen door een Brit. De namen van sterrenbeelden, eventueel sterren en sterrenkundige termen kon ik in die talen wel achterhalen, meestal met hulp van de Koepel.
Ondertussen kregen we ook steeds meer klanten voor maatwerkversies, in 1998 bijvoorbeeld voor Noorse en Deense ontwerpen.
Ik had al een systeempje bedacht voor de codering: PLN (van planisfeer), gevolgd door een getal voor de ontwerpbreedte (met een S ervoor als het om het zuidelijke halfrond ging) en een of twee letters voor de taal.
 
Moderne tijd
Een groot probleem met handgetekende ontwerpen is dat ze op grote vellen papier worden gemaakt, en het formaat van zelfs kalkpapier verandert in de loop van de tijd. De cirkels in mijn planisferen werden langzaam ovaal! Het werd steeds moeilijker om er de coördinaten goed mee te bepalen. De lithograaf wees mij al eens op de mogelijkheid de planisferen met Illustrator te maken, computersoftware waarvan de functie duidelijk uit de naam blijkt. Maar hoe leer je zo’n programma te gebruiken?
Ik had al jaren contact met Wil Tirion en in de winter van 1999-2000 nodigde hij mij bij hem thuis uit, zodat hij mij kon laten zien hoe dat pakket werkt. Het was een openbaring! Niet alleen kon mijn werk niet meer zo maar van vorm veranderen, maar het maken van andere versie werd veel gemakkelijker, deels door simpel ‘knippen en plakken’.
Ik ging meteen aan de slag want ik moest dan alle ontwerpen nu digitaal opzetten. De sterrenkaarten maakte ik nu in één keer goed, met twee basisontwerpen: een ‘moederkaart’ van de gehele sterrenhemel met de noordelijke hemelpool in het centrum en een rond de zuidelijke hemelpool. Daarvan moesten dan weer verkleiningen worden gemaakt voor de diverse breedteversies. Ook verbeterde ik de lijst met deep-sky objecten, of in mijn terminologie verrekijkerobjecten, omdat de planisferen ook zijn gemaakt voor gebruik met zo’n instrument.
Daarnaast moest ik alle achterzijden opnieuw maken. En natuurlijk bovenschijven (d.w.z. de horizons etc.) waarbij ik het ontwerpen maakte voor elke 5° tussen 65° NB en 40°ZB, en voor speciale breedten zoals 52° voor de Nederlandse PLN-NL en 47° voor de Franse PLN-47F. Het duurde een jaar vóór alles gereed was.
 
Meer versies
Het was nu mogelijk om snel versies te maken voor elke breedte en in elke taal. De eerste nieuwe Engelse planisferen al in 2000 uit: voor 40°, 30° en 20°ZB, en een voor 20°NB. Ze waren nog niet perfect: ik had de posities van de windrichtingen verkeerd! Huib Henrichs van de UvA stuurde mij de vier formules die nodig zijn om de horizon, de oost-westlijn en de windrichtingen goed te ontwerpen, zodat de fout later kon worden hersteld.
Er was nog één planisfeer die ontbrak een Engelse equatoriale planisfeer! Ik heb een Nederlandse planisfeer ui 1900, voor Java, en die is precies voor 0° gemaakt. Maar dan heeft de horizon de vorm van een halve cirkel, met rechte hoeken! Dat vond ik niet acceptabel. Na lang nadenken besloot ik dat een dubbele planisfeer, met een sterrenkaart/bovenschijf voor 10°NB en een voor 10°ZB, de beste oplossing was. Dan zijn de horizons nog te begrijpen, maar een bijkomend voordeel is dat je steeds de minste vertekening hebt: als je naar het noorden kijkt gebruik je de noordelijke kaart en andersom. Dit werd een van onze best lopende planisferen, omdat er blijkbaar geen andere is voor dat gebied. De PLN-EQR kwam in 2002 uit.
Hierna volgden Spaanse Planisferios voor 30°ZB (Zuid-Amerika, 2002) en 40°NB (2003), een Italiaanse Planisfero (2004), een Friese Planisfear (2009) en een Turkse Düzlemküre. (Voor de Friese uitvoering moesten eerst de sterrenbeeldnamen naar het Fries worden vertaald, zodat de Planisfear nu feitelijk de Friese standaard is!) Daarmee werd ons planisferenprogramma zonder twijfel het meest uitgebreide ter wereld! In de hele wereld zijn misschien tien grote producenten van planisferen, de meeste in de Verenigde Staten (er zijn meer koningen en koninginnen dan astrocartografen…) en geen daarvan heeft meer dan enkele versies in het programma.
Daarnaast maakte ik maatwerkversies in het Zweeds, Fins, Inuit (!) en Roemeens. Ik hoop meer taalversies te kunnen maken want het is erg leuk om met een vreemde taal bezig te zijn als je weet wat er moet staan! Er kwamen ook nieuwe maatwerkversies op basis van de bestaande ontwerpen, met soms een achterzijde die men zelf had gemaakt, voor universiteiten, planetaria, musea, professionele en amateursterrenwachten, clubs en grote winkelbedrijven zoals WalMart. Na de twee grootste orders uit onze geschiedenis stopte WalMart echter met de verkoop van telescopen en heb ik ook niets meer van ze vernomen. Ook andere grote klanten vielen weg, zoals het London Planetarium en Stichting De Koepel, beide omdat ze gestopt zijn. Ik mis nog altijd de prettige samenwerking met de mensen van de Koepel.
Sinds 1985 hebben wij ongeveer 300.000 planisferen geproduceerd. In de goede jaren vóór de crisis waren dat er 25.000 per jaar, maar dat is helaas niet meer zo. We konden de crisis overleven omdat wij geen bedrijfspand huren en geen personeel hebben.
 
Ander werk
Ik zou zelf bijna vergeten dat ik meer gedaan heb dan planisferen maken. Zo gaf ik ongeveer 3000 planetariumvoorstellingen (lessen) gegeven en misschien 1000-1500 lezingen, cursussen, gastlessen, ‘reisjes door het zonnestelsel’, en meer. Met lesgeven op scholen moest ik helaas om gezondheidsredenen stoppen (o.a. CVS, chronisch vermoeidheid syndroom, dat ik na zeven antibioticakuren in 1987 ontwikkelde).
Verder maakte ik ook andere producten. In 1986 maakte ik de zelfbouw draaibare sterrenkaart, een eenvoudige versie van de planisfeer, die ik in namens het Apollo Reizend Planetarium uitbracht. Hij liep erg goed. In 1987 volgde een zelfbouw zonnewijzer, ook van een heel eenvoudig ontwerp, dat ik op een zondagmiddag maakte.
Ook al was ik gestopt met lesgeven op scholen, de jeugd bleef voor mij belangrijk. Als we jongeren willen inspireren om voor een wetenschappelijke carrière te kiezen moet je jong beginnen! Daarom ontwierp ik rond 2001, toen het planetarium al jaren verleden tijd was, een hele serie kartonnen zelfbouw modellen en instrumenten. De twee bestaande bouwplaten werden in een nieuw jasje gestoken (in de van mij bekende blauwe kleur…). Daarbij kwam een schaalmodel van het zonnestelsel op schaal 1:100 miljard, bestaande uit 16 informatieve kaartjes (het Zonnestelselmodel, geïnspireerd op mijn 3D model), een kwadrant, een Tafelplanetarium, een Aarde-Maan model en een Hemelglobe. In 2003 kwamen de twee bouwplaten en het Zonnestelselmodel uit, snel gevolgd door een set van die drie producten, met extra informatie: de Astroset Sterrenkunde is fun! – speciaal voor jongeren. Het kwadrant kwam later als kleine gedrukte exemplaren die ik meestal weggeef.
 
Een nieuwe Astroset
De andere producten waren nog te lastig en te duur om te laten drukken, maar nadat ik de testmodellen van het Tafelplanetarium en het Aarde-Maan model op de NOT van 2013 (een onderwijsbeurs) had neergezet kreeg ik zulke leuke reacties dat ik besloot ze verder uit te werken. Het werd de nieuwe Astroset Maan en Planeten. In de basis waren die niet anders dan de testmodellen, maar vooral het Tafelplanetarium kreeg nieuwe mogelijkheden, zoals retrograde bewegingen, en zou in fullcolour worden gedrukt. Nu moest ik er alleen nog geld zien voor zie te vinden, in crisistijd! Inmiddels waren de Zonnestelselmodellen bijna op, maar de kans die in herdruk te kunnen doen leek heel klein.
De verlossing kwam door de zonsverduistering van 20 maart 2015. Een klant had mij erop gewezen dat de Koepel als verkoper van eclipsbrillen was weggevallen en dat het verstandig zou zijn om ze op te nemen in mijn programma. In januari 2015 bestelde ik er 5000 met eigen logo in de VS. Ze hoefden niet allemaal verkocht te worden, ik wilde ze in voorraad houden. In februari begon het te lopen… en het hield niet op! Al snel was de ene na de andere leverancier uitverkocht en ging men klanten naar ons ging doorsturen, waarvoor ik erg dankbaar was. Een aantal malen bestelde ik op vrijdag 3000, 4000 zelfs 7500 brilletjes, die op maandag werden geleverd. De laatste week was het een compleet gekkenhuis in huize Walrecht en de zaterdag vóór de eclips kwamen bestellingen om de paar seconden. Op zaterdagavond laat heb ik de eclipsbril van de website verwijderd omdat ik zag gebeuren dat we niet eens tijd meer zouden hebben ze allemaal op tijd te verzenden! Het idee dat je al die bedragen moet terugstorten… Die zondag, maandag en dinsdag waren we alleen maar aan het inpakken. In totaal verkochten we 17.500 eclipsbrillen.
Nu kon ik niet alleen de nieuwe Astroset Maan en Planeten laten drukken, maar ook de hoognodige herdruk van het Zonnestelselmodel bekostigen! Dat had ik in 2013 al eens aangepast, volgens de nieuwe opzet van twee sets van 16 kaartjes (een basisset en een aanvulset, vanwege alle nieuwe ontdekkingen), maar was nog niet helemaal naar mijn zin. De nieuwe Astroset was wel klaar. Verder stond voor 2015 het boekje De Oerknal en het uitdijend heelal gepland, dat ik samen met Prof. Henny Lamers zou maken, én moest de 70 cm Superplanisfeer er een keer komen. Het was toch allemaal veel meer werk dan ik had gedacht, in de paar maanden die ik had voor de presentatie van de producten op 31 oktober 2015, maar op de grote planisfeer na kreeg ik het allemaal voor elkaar. Echter voor mijn fysieke staat niet zonder kosten…
 
Boeken
Ik heb altijd veel geschreven, maar tot 2006 geen echte boeken. Ik was in 2002 wel begonnen aan wat later Genieten van de sterrenhemel zou worden, maar fullcolour druk was toen nog onbetaalbaar en uiteindelijk vond ik werken met zwart en blauw voor een boek dat mooie foto’s zou moeten bevatten niets en liet ik het liggen.
In 2005 en 2006 hadden we uitzonderlijk goede jaren en kwam de mogelijkheid van boeken weer bovendrijven, nu wel in fullcolour, en gedrukt op fraai papier, met een vernislaag en zelfs met de titel in zilverfolie! Ik wilde twee boeken maken: Genieten van de sterrenhemel en Genieten van het zonnestelsel.
In mei 2006 begon ik met het schrijven van de tekst voor deel 1. Veel van de 90 illustraties had ik al klaar, omdat ik vanaf 2000 als dia’s gebruikte in mijn presentaties. In die periode ging het bergafwaarts met mijn moeder. Ze lag in het ziekenhuis en ik verbleef ik in haar huis in Den Helder om op haar computer te schrijven, zodat ik regelmatig naar haar toe kon. Alleen de laatste vier dagen van haar leven was ze nog in haar huis, en toen kon ik wat doen om mijn zus en broer, die haar maanden hadden verzorgd, te ontlasten. Het was een bijzondere tijd waarin ik weinig anders schreef dan de rouwkaart en mijn eigen speech, die ik haar beide heb kunnen laten lezen en die haar goedkeuring kregen.
Het boek, dat ik geheel (in losse pagina’s) met Illustrator maakte omdat ik het opmaakprogramma InDesign niet kende, werd in november 2006 in de oude collegezaal van Sonnenborgh gepresenteerd, opgeluisterd met en speech van Prof. Ed van den Heuvel. Hij had mijn tekst in Word format én in de opgemaakte versie gelezen, zoals hij dat ook zou doen met de andere twee delen van mijn Genieten van-serie (vaak in het vliegtuig, als hij op weg was voor onderzoek in de VS; mijn werk is dus op zéér hoog niveau gecontroleerd!).
Overigens had ik een ploeg van 15 tot 20 vrienden en familieleden die de teksten van de boeken hebben gelezen, om fouten en onduidelijkheden eruit te halen. Ik heb hen genoemd in de boeken.















Links: op de presentatie van mijn eerste boek, Genieten van de sterrenhemel, op 18 november 2006, overhandig ik het eerste exemplaar aan professor Ed van den Heuvel. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld bij mijn boeken door de teksten grondig te controleren (zie de tekst).
Rechts: tijdens de presentatie van deel 2, Genieten van het zonnestelsel (dat als derde uitkwam), was het ook tijd om Marja eens te bedanken voor al haar steun en het verbergen van de zorgen om mijn gezondheid die ze ongetwijfeld had.


Deel 3 en deel 2
In Genieten van de sterrenhemel had ik hoofdstukken gepland over sterren, de Melkweg en andere sterrenstelsels. Dat werd echter veel te veel voor een boek dat 48 pagina’s had moeten bevatten maar met 64 pagina’s het levenslicht zag. Daarom besloot ik tijdens het maken van deel 1 om een extra, derde boek uit te brengen, van 48 pagina’s. De titel: Genieten van het heelal. Omdat ik daar al mee bezig was geweest kwam dat deel 3 er eerder dan deel 2. In 2007 begon ik in het voorjaar met de 50 illustraties, waarvan sommige heel veel tijd kosten: het overzicht van het heelal in tien stappen koste 2,5 week werk! Omdat ik de opbouw en veel van de tekst al had ging het verder voorspoedig en kon ik het in juli van dat jaar presenteren, dit keer in het Artis Planetarium, inclusief een fraaie show met de toen gloednieuwe apparatuur. De drukkerij betaalde! Het was trouwens ook 64 pagina’s dik geworden…
De rest van het jaar moest ik nodig besteden aan de andere werkzaamheden, maar begin 2008 ging ik aan de gang met deel 2: Genieten van het zonnestelsel. Het was in opzet gebaseerd op een low-budget boekje Het zonnestelsel, dat ik in 1990 met de Stichting Cosmogram had uitgebracht. Het moest nu natuurlijk veel mooier worden én er was nogal wat veranderd sindsdien. En natuurlijk niet meer dan 64 pagina’s.
Ook hier begon ik met de (ruim 60) illustraties. In mei startte ik met het verzamelen van alle informatie voor de tekst, meteen verwerkt in een verhaal. Nu is het planetair onderzoek (sterrenkundig althans) mijn grote liefde en dus… haalde ik er veel te veel bij. Het boek zou te dik worden!
Het gevolg was dat ik tijdens de opmaak, vanaf augustus, heel veel tijd kwijt was aan het schrappen en comprimeren van teksten. Niet handig als je die opmaak per pagina doet. Ik werkte minimaal tien uur per dag, zeven dagen in de week, en door de toenemende vermoeidheid zag ik maar één manier om aan mijn eigen deadline van eind 2008 te voldoen: meer uren maken. Een gevaarlijke situatie en ik ben er eigenlijk nooit van hersteld.
Het boek kwam er echter, 96 pagina’s dik, op 12 februari 2009. Weer met een fraaie presentatie in het Amsterdamse planetarium: een reis door het zonnestelsel én een reis door het heelal.
Tot mijn verbazing zijn de drie boeken nog steeds erg up-to-date.
 
Boekjes en posters
Met de illustraties uit de boeken stelde ik zes posters samen, voor scholen, sterrenwachten en andere geïnteresseerden (met onder andere een groot Elektromagnetisch Spectrum) en later nog een set van twee posters voor de basisscholen. 
Twee dunnere boekjes volgden later. In 2012 kwam Higgs gevonden, Compleet overzicht van de bouwstenen van de materie, dat ik samen schreef met de jonge natuurkundestudent Luc Hendriks. Dat boekje was niet gepland, maar kwam (’s nachts, zoals gebruikelijk) heel spontaan bij mij op na de ontdekking van het illustere deeltje.
In de zomer van 2014 nam ik contact op met Henny Lamers nadat ik zijn low-budget boekje De oerknal en het uitdijend heelal had gelezen. Een dergelijk boek zou veel toevoegen aan mijn serie, omdat mijn inleidende Genieten van het heelal niet zo diep gaat. Henny was meteen enthousiast en het werd een van de producten die we op 31 oktober 2015, tijdens de viering van het 30-jarig bestaan van ons bedrijf, presenteerden. De Oerknal was erg bijzonder om te maken omdat ik het nu sámen met een professor schreef, wiens naam ook op de voorkant zou komen en wie er dus persoonlijk belang had bij een hoge kwaliteit. We bleken elkaar prima aan te vullen.


 












Hierboven: op 31 oktober, tijdens het feest voor het 30-jarig bestaan van Rob Walrecht Productions, kwamen vier nieuwe producten uit. Een ervan was het boekje 'De Oerknal en het uitdijend heelal (Zoeken naar het begin van alles)' dat ik samen met professor Henny Lamers schreef.


Cursus
De boeken maakten ook een ander project mogelijk: een uitgebreide cursus sterrenkunde voor docenten van basisscholen en middelbare scholen, met mijn slogan als titel: Leer het heelal begrijpen. PowerPoint is een mooi medium om fraaie lessen te geven, zeker als je je eigen plaatjes kunt maken. Ik begon met de 200 illustraties uit de boeken en daaraan zijn er misschien 300 toegevoegd, soms in de vorm van animaties. Ook dit was weer een stevig project, waaraan ik van 2010 tot en met 2014 hard heb gewerkt, met steeds weer sleutelen na het testen op Volksuniversiteiten en de sterrenwacht in Amersfoort. Ook maakte ik uiteraard te veel materiaal, zodat de lessen te lang werden. Dat loste ik op door delen als losse modules te bewaren, die ik naar wens met andere delen kon combineren.
De bedoeling was om acht lessen te maken maar ik heb nu genoeg materiaal voor tien of meer lessen, deels in de vorm van die modules. Alle lessen geef ik ook als lezing en de modulaire opzet maakt het mogelijk redelijk snel delen samen te voegen voor een nieuwe cursus, of soms een nieuwe lezing. Zo ontstond bijvoorbeeld mijn Lezing van Alles, over materie, elektromagnetische straling, en met die informatie hoe het licht van de zon ons bereikt (oké… de Lezing over 5% van Alles). De cursus Doe meer met je planisfeer bestaat uit de eerste lessen van de grote cursus, omdat de planisfeer een belangrijke rol speelt in de inleiding. Na lang zoeken hoe ik de cursisten een goed 3D beeld kon overbrengen van de ruimte om ons heen, waarbij allerlei gekochte instrumenten niet voldeden, bleken de Vragen en Opdrachten die ik al gebruikte in de cursus hét middel om dat te bereiken!
De lezing Kleine werelden van het zonnestelsel, over onder andere Ceres en Pluto, bevat delen van de zonnestelsellessen, met aanvullingen over massa’s, die nu weer aan de oorspronkelijke lessen zijn toegevoegd.
Een belangrijk onderdeel van de cursus, die sterk is gericht het overbrengen van begrip (want de kennis haalt men wel uit de boeken) zijn mijn unieke schaalmodellen (zie ook onze website) en andere hulpmiddelen. Naast de schaalmodellen van het zonnestelsel is mijn grote trots een schaalmodel van ca. 80 sterren, ook op schaal 1:100 miljard! Op die schaal is de zon zo groot als een knikker, Rigel 110 cm en VY CMa 27 meter! Dat is wat lastig meenemen, zodat ik de modellen in drie reeksen heb verdeeld, steeds tienmaal verkleind ten opzichte van de vorige reeks: Pollux is de grootste ster van serie 1, en wordt dan tienmaal verkleind voor het begin van serie 2; Rigel is de grootste ster van serie 2, en wordt dan tienmaal verkleind voor de derde reeks.
In 2012 en 2014 gaf ik een serie pilots aan docenten die zich hadden aangemeld. Daarna was ik helemaal tevreden met de cursus, hoewel je je aan zoiets blijft sleutelen. In een aangepaste vorm geef ik de cursus ook aan particulieren.
De cursus voor docenten komt nog echter niet erg van de grond omdat ik daarvoor niet het netwerk en de juiste organisatie heb. Het is al druk genoeg met de uitgeverij om zoiets ernaast te doen en ik probeer daarom aansluiting te vinden bij onderwijsorganisaties, tot nog toe tevergeefs.
 
De toekomst
Er blijven nog wel producten die ik nog eens wil uitbrengen, maar de grote druk is er na 2015 wel van af. Mijn basisprogramma is compleet! Misschien dat het Hemelmodel er ook nog een keer komt, en het kwadrant in een mooie, stevige versie.
Ik heb verder nog genoeg ideeën voor boeken, maar die ga ik heel relaxed maken, zonder deadlines. En ik hoop dat ik mijn cursus regelmatiger zal geven, want het contact met het publiek is toch het leukst. Zeker als je hele dagen alleen in je kantoor werkt.