NL | EN

Planeetposities

Hier vind je de planeetposities van:

- 2017


en van eerdere jaren:
- 2016


De informatie over de planeetposities komt uit de Sterrengids (zie onderaan). Ik gebruik de Sterrengids ook in mijn cursussen, zoals de cursus Doe meer met je planisfeer. In die cursus leg ik de basis en het principe van de planisfeer uit, maar ook de extra mogelijkheden, zoals het localiseren van planeten, planetoïden en kometen op basis van hun coördinaten. Dat laatste met drie sets met Vragen en Opdrachten, zodat de cursist lekker zelf aan de gang kan met planisfeer. En die coördinaten vind je in de Sterrengids! Ik gebruik de Sterrengids van 2013, om niet elke keer weer nieuwe Vragen en Opdrachten te hoeven maken.
Een korte verklaring van belangrijke gegevens in de Sterrengids vind je hier.

Inleiding
Planeten en andere zonnestelselobjecten zijn niet opgenomen in de sterrenkaart van de planisfeer, om de doodeenvoudige reden dat zij voortdurend langs de sterrenhemel bewegen. Hieronder lees je hoe je planeten en eventueel planetoïden en kometen toch kunt vinden.
We beginnen met een beschrijving van de coördinaten die we gebruiken om de posities van hemellichamen aan de hemel aan te geven: de hemelcoördinaten. In ons boek Genieten van de sterrenhemel lees je veel meer over dit onderwerp en het gebruik van de planisfeer.

De hemelbol
Alle sterren en andere objecten hebben een ‘vaste' plek aan de sterrenhemel, hoewel hun afstanden enorm kunnen verschillen. Sommige staan ‘dichtbij', zoals Sirius: 8,6 lichtjaar (lj). Een lichtjaar is de afstand die het licht aflegt in één jaar. De lichtsnelheid is de grootste snelheid die we kennen: 300.000 km/s! Dus in één jaar legt het licht af 60 x 60 x 24 x 365,25 x 300.000 km, ofwel bijna 9500 miljard km! Het verste object dat we kunnen zien met het blote oog is de Andromeda-nevel (M31), een sterrenstelsel zoals ons eigen Melkwegstelsel, op 2,2 miljoen lj.

Die afstanden zijn echter niet belangrijk voor het maken en gebruiken van een (draaibare) sterrenkaart. Stel dat alle sterren en objecten op precies dezelfde afstand zouden staan, dan zouden we een enorme bol krijgen: de hemelbol. Om de positie van een ster op die hemelbol aan te geven, zijn slechts twee coördinaten nodig, net zoals we op de aarde geografische lengte en breedte hebben.

Stel nu dat we precies in het middelpunt van de aarde een hele sterke lamp zouden kunnen plaatsen, die alle cirkels en punten die we op de aarde hebben ‘getekend’ zou projecteren op de hemelbol, dan krijgen we een hemelevenaar , een hemelnoordpool en zuidpool en lengte- en breedtecirkels . Het astronomische equivalent van geografische breedte is declinatie (decl), dat van geografische lengte heet rechte klimming (RA).

Rechte klimming en declinatie
De declinatie wordt gemeten in graden langs de meridiaan (noord-zuid lijn die over de polen loopt), met de hemelevenaar op 0°, de hemelnoordpool op +90° en de hemelzuidpool op -90°. Die meridiaan is op de planisferen te zien als de rode noord-zuidlijn die door het zenit en het gat van de holniet loopt. In de tabel zijn drie kolommen gebruikt voor de declinaties: een kolom voor een positieve (ten noorden van de hemelevenaar) of negatieve declinatie, dan een voor de graden en de laatste is voor de minuten (een graad in onderverdeeld in 60 minuten!).
Rechte klimming wordt gemeten in graden of – zoals bij onze planisferen – in astronomische uren (en minuten), met het 'lentepunt' (de plaats van de zon op 21 maart) als 0 uur (of 0°!). U vindt de astronomische uren op de buitenste rand van de planisferen. In de tabel vindt u een kolom met de uren, en een met de minuten (met één decimaal).

De positie van planeten vinden in de planisfeer
In het overzicht van de planeetposities voor dit jaar vindt je de coördinaten van de planeten voor verschillende data van dit jaar, voor elke tien dagen (behalve voor Mercurius: om de vijf dagen; zie hieronder, punt 5). Zie ook de informatie over de Sterrengids, helemaal onderaan deze pagina.
Wat je doet om deze posities in een planisfeer op te zoeken is het volgende:
  1. Zoek de rechte klimming (RA) en de declinatie van de planeet op voor de geselecteerde datum.
  2. Richt de rode declinatie lijn naar de juiste waarde voor rechte klimming RA (er is een verdeling per 5 minuten).
  3. Bepaal nu de correcte positie van de planeet op deze datum met behulp van de rode declinatie lijn.
  4. Je kunt deze plek markeren d.m.v. een klein stukje Scotch tape de speciale planeetmarkers nauwkeurig op de juiste plaats aan te brengen. Dit blijft lang genoeg zitten en als u de kant van de pijlpunt vrijlaat (dus alleen tape op het achterste deel), dan kun je het later gemakkelijk verplaatsen, zodat het voor een nieuwe datum de positie aangeeft.
  5. Mercurius staat het dichtst bij de zon, en maakt de kleinste 'baantjes'. Daarom is het planeetje aan de hemel vaak te dichtbij de zon om te kunnen zien. Voor die perioden worden geen gegevens vermeld. Je ziet dan een onderbreking in de tabel. Boven de gegevens staat steeds avond (als hij na de zon ondergaat) of ochtend (als hij vóór de zon opkomt).
  6. De planeten Uranus, Neptunus en Pluto staan vermeld in het overzicht, maar alleen Uranus en Neptunus zijn met een verrekijker te zien, onder goede omstandigheden; voor Pluto en andere kleine werelden is een telescoop nodig. Pluto is dus niet vermeld omdat hij veel helderder is dan de andere kleintjes, maar omdat het een iconische object is.
Indien je de efemeriden hebt van planetoïden, kometen of andere objecten, dan kun je op dezelfde manier tewerkgaan.

Zichtbaarheid planeten
Het overzicht met de planeetposities geeft nog andere informatie, die te maken heeft met de zichtbaarheid van de planeten. Een korte beschrijving van bijzondere situaties in de stand tussen de aarde en een andere planeet.
Alle planeten bewegen rond de zon, met verschillende snelheden. Met enige regelmaat staan de zon, de aarde en een planeet in een rechte lijn (gemeten langs het vlak van de ecliptica dan, planeten hebben een kleinere of grotere baanhelling). Dat zijn de situaties waarover wij het hier hebben.
De situatie dat een planeet in de richting van de zon staat (dus aan de hemel ook heel dicht bij de zon) noemen we een conjunctie.
Een binnenplaneet is een planeet die zijn baan binnen die van de aarde heeft: Mercurius en Venus. Zij kunnen op twee manier in de richting staan: aan onze kant van de zon (een benedenconjunctie) of aan de andere kant van de zon (een bovenconjunctie). In bovenconjunctie staat zo'n planeet natuurlijk het verst van de aarde, in benedenconjunctie het dichtstbij. Als de hoek tussen de zon en de planeet (aan de hemel gemeten) het grootst is, spreken we van grootste elongatie (bij grootste oostelijke elongatie spreken we bij Venus van een avondster, bij grootste westelijke elongatie van 'morgenster'. De oude Grieken hebben tot enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling gedacht dat het zowel bij Venus als Mercurius om twee planeten ging!). Zie het plaatje hieronder.



Een buitenplaneet (Mars, Jupiter, Saturnus enz.) heeft maar één type conjunctie, als ze precies aan de andere kant van de zon staan. Uiteraard is dat dan ook hun verste afstand tot de aarde (hun afstand tot de zon plus de afstand van de aarde tot de zon). Verder zijn ze dan natuurlijk niet of nauwelijks zichtbaar, omdat de zon ze overstraalt. Als een buitenplaneet precies aan de andere kant staat (dus als de zon, de aarde en de planeet op één lijn staan). De planeet staat dan in oppositie en dat is de beste situatie om de planeet te bekijken: niet alleen is hij dan rond middernacht te zien, als het het donkerst is, maar hij staat ook nog eens het dichtstbij ons. Hij is dan dus groter aan de hemel en helderder.

Sterrengids
De gegevens in de tabel komen uit de Sterrengids, een jaargids vol interessante hemelverschijnselen gepubliceerd door Stip Media: www.sterrengids.nl.

Je kunt deze in de boekhandel kopen, of je kunt je abonneren zodat je hem elkaar jaar
ruim op tijd ontvangt.